Het gezeefde gedicht | Het Gezeefde Gedicht


JANUARI 2018

Ernie Bossmann
Rens van Hoogdalem
Wim Vandeleene
Astrid Arns
Gerard Scharn
Hans Van Miegelbeek
Christophe Vansteeland

Ernie Bossmann

steeds duwt ze stiftgekuste post, zoete koek
door je brievenbus, ze wil het goedmaken graag meedoen

mensen klagen over kruimels achter de voordeur
naait ze bedank-me-niet-jes in je jas

knopen knipt ze af, excuseer haar
vingers knippen vaak vanzelf

slingers van je stropdas, stiltes uit je stem
de ogen uit je pas, je plaats aan tafel

pikt ze in, identiteitsdief is meestal familie
haar lippenstift maakt vlekken die je er niet afwast

 

mot zit meestal in je mooiste trui
boeken over China zijn meestal rood
met goud met kraanvogels, kleuren zijn

niet alleen om naar te kijken, ze kunnen
je ook veel vertellen, zegt de man die je een verrekijker
verkoopt, hij veegt confetti van zijn schouders

sommige mensen nodigen elk jaar
andere mensen uit op hun verjaardag
anderen telkens dezelfde
mij niet gezien

het waarnemen van zwarte gaten zit nog in de experimentele fase
witte dwergen zijn sterren op het eind van het leven
de gaten in je trui ziet iedereen


Rens van Hoogdalem

Place d'Italie

Op een wc in een kerk
Zit een jongen met wallen.
Hij telt de vlekken op de tegels.
Daarna de vlekken in zijn gezicht.

Religieus gemurmel sijpelt
Door het bovenraampje naar binnen.
“Koetjes, kalfjes, melk en honing”

De vlekken op de vloer
Beginnen te grazen
In de tegels van zijn zonde.

Hij hoest wat tranen,
Herkauwt zijn verdriet
En wiegt zich dan in zijn wallen tot slaap.

Het orgel van de opvolgende Koreaanse dienst
Schrikt hem wakker. Hij staat op,
Spoelt door en luistert tevreden
Naar het splijten van de zee in een wc-pot.

Het licht trekt hij uit
En zijn vingers liggen al op het slot.

In het donker zijn de vlekken verdwenen en
Hij besluit nog wat te wachten,

Eventjes uit te rusten in de kerk

Van dit egale zwart.

 

Pont Neuf

Als je goed kijkt zie je zijn bloed

Naar de verkeerde plekken stromen.

Te veel stijgt het naar zijn hoofd
Dat om de zoveel tijd doorknakt,
Als een te zwaar ja-knikkertje
In een Renault Twingo.

Te snel vlucht het weg van zijn hart
Dat daardoor aanvoelt als een te
Vroege voorbode van de winter.

Zijn lichaam tocht.
De kou houdt er huis
Nestelt zich in de kieren van zijn lijf.

Het duurt nu niet lang meer en dan
Kerst, Coca-Cola en kalkoen

De sneeuwvlokken dwarrelen al uit zijn ogen


Wim Vandeleene

ontbijt op zondag

met de trein reden we de nacht in,
niemand lag dwars. toch liepen we vertraging op.

zo meldt ons de wekker als we zonder alarm ontwaken.
gisteren hebben we de tafel al gedekt.

niet dat we ons haasten moeten maar
soms knoop je de volgende dag aan de vorige

alsof de tijd een touw is dat kan breken in de nacht.
ik waan me in een hotel. als een ober neem je mijn wensen op.

ik geef je alvast een pluim mee voor de kok
die je ook vandaag weer vervangt.

Astrid Arns

Afstand

We herhalen onszelf met het brood op de tafel.
Het huis stelt geen vragen, er wordt weinig gesproken.
De stemmen zijn gedempt.
Onze afstand is langer dan de arm van een mens.

We hebben geen vleugels en geen bestemming.
Verdiepen ons in de plooien van het gordijn.
We doen met de ogen alsof iets ons spijt, schuld is onzichtbaar.
De stilte zo compact dat we langzamer ademen.

In het voorbijgaan geven we ons bloot.
Zwijgend kussen we de lucht naast elkaars wangen.


Gerard Scharn

zij gaat niet mee

de wereld is te groot voor haar
vol met vreemde dingen die zij
niet begrijpt zoals er bruggen zijn

waar zij graag van af wil springen
of dat treinen rijden met vertraging
iets dat haar begrip te boven gaat

wij blijven thuis en wachten
terwijl de wereld verder draait
tel ik scheermesjes op het plancet

 

Hans Van Miegelbeek

Zakman

Rijzig als een Christus op gescheurde benen
draagt hij de zon en regen mee in gesponsorde zakken.

Achter hem geen spoor, wat nadert komt in nevel.
Er is geen spreken dat meer duiding geeft.
Thuis is een tramhalte met een gapend dak.
Steengoed is de bank als brits voor wie niet weegt.
Karton in plastic als deken verhult zijn lijzige nacht.

Tram één komt eraan in rood, geel en roze
als invitatie voor een feest. Wij haasten ons over.

Christophe Vansteeland

Kleine lach

Ik zie haar op het perron, zag haar
mijn auto blonk van regenwater, het stonk
een beetje maar lang geleden zag ik

haar. Een kind nog op de fiets met een norse
lach en een buitenbeugel op weg naar
dag meneer, een vogel wil ik zijn. Een lach

verder en je paste op onze kinderen.
Toen al braken je ogen, ach meneer.
Ik zie haar op het perron, zag haar

ça va vragen we. Haar lach is kleiner
haar hakken schrijven op het perron.
De wijzers van de klok. Kijk ze draaien.