|
|
APRIL 2026
|
Marc Serruys
A.E. Westerling
Mensman
Ilse Van Eepoel
Wendy Onsea,
Claire Moens,
Rob van Gennep,
Ariane Vergult
Maarten Bogaert,
Goedele Horemans
Flo Notebaert,
Anita Pardijs,
Marco Starmans
Benoit Van der Cruysse |
|
Marc Serruys
De stoel
zou de stoel mijn rust nog weten?
is er een echo van mijn zittend zelf
aanwezig in een verder lege kamer?
zou hij op die gedachte blijven staan
of keert hij terug tot hout en stof
nu hij lucht en leegte omarmt
op zoek naar betekenis, naar zin?
meer is het niet, het verschil
tussen dood en leven, iemand
gaat zitten , vouwt zich op je,
leunt tegen je aan, dommelt in,
staat op en laat een indruk na.
|
|
A.E. Westerling
DE BOOMWORTELS (TRIOMFANTELIJK)
De boomwortels (triomfantelijk)
doorheen asfalt, tegels en beton.
Alles verzuurt, verstart, maar zij niet,
zij triomferen en weven hun poëzie
langs harde wegen, onder fundamenten
van McDonald’s en tankstation.
Ik moet telkens denken aan de zonnebloemenschilder
in Auvers-sur-Oise; zijn laatste tranen
in het kreupelhout; het krankzinnig verlangen
om mooie dingen te maken.
Ik heb korenvelden in mijn hoofd, maar keer
steeds naar steden terug.
Als ik in iets geloof, dan in de boomwortels,
(triomfantelijk).
|
Mensman
Sterrenstof
Van kijken naar sterren
word je niet veel wijzer:
als je even niet oplet
wisselen ze van plaats.
Maar soms heb je geluk,
dan valt er zomaar eentje
helemaal vanzelf uit het
gewelf naar beneden.
Vang haar op in een zakje,
doe een gouden bies erom
en geef het ’s ochtends
glunderend aan je lief.
Misschien zal die je dan
nog wat slaperig zeggen:
“Goh, ben je daar nu de hele
nacht voor opgebleven?”
|
Ilse Van Eepoel
VLUCHTIG HET ROOD OP ONZE LIPPEN
I.
Laat de berg maar zien hoe jij hier staat
vochtig blauw in je gebarsten vel
laat je vleugels drogen
Klim naar een uitzicht
beheers de loodrechte waanzin
krijg grip op het ravijn
Hou je angst in de gaten
dat gemene gat dat loert onder je voeten
het kijkt de talk van je handen
Spuw naar beneden, je mag balanceren
bespeel de hoogte zonder touw of gareel
word één met de wand
De nietigste richel past in je hand
***
II.
Schep een bestaan
zie de dronken rups in elke vlinder
schommel op een spinnendraad
Vertrouw je klimkunst toe aan de stoutste bomen
breek een twijgje eer de wind het doet
hang upside down
Bengel aan de hoogste tak
want de ochtend rijst en wij gaan onder
steek je tong maar uit
Hou de wangen zacht |
Wendy Onsea
fanfare
dansen we zoals die keer dat ik uit je armen
we beiden door het tafeltje
jij op mij behoedzaam
schroom in rondjes verpakt
schroeien we nog onder die lamp
de ober lachte zo lente we leken
dat hedendaags kussen
als verse sla smaakt
huilen we zoals toen de weg
de berg kwijt het noorden zelfs
ik je toefluisterde
hoe jij de kou had warm gemaakt
worden we een trio van akkoorden,
jij en ik stemmen de stilte
terwijl de fanfare ontwaakt
|
Claire Moens
Utopia
De huizen dragen geen slot.
Het brood rijst zonder haast.
Er zijn enkel slapende klokken,
de dag en nacht sluiten zacht.
De grond herkent mijn stappen,
neemt ze op zonder gewicht.
Vrijheid is geen woord in een boek,
maar een ritme in mijn adem.
Een resonantie gaat door mij heen,
niet tastbaar, niet zichtbaar,
ik voel het hele bestaan,
als een hand op mijn schouder.
|
Rob van Gennep
Vermist
verdwenen tijdens onderhoud
roep ik na al die jaren niets
vanuit de bovenkamer
iets wat ik allang niet meer versta
mijn oren suizen
nieuwsgierig neem ik stap voor stap
de net herstelde wenteltrap
vind daar in spaarzaam zolderlicht
een zelfportret dat mij niet kent
waar ik in kapitalen
met ooit zo vaste hand vermist op zet
|
Ariane Vergult
mijn moeder loopt nog altijd verloren in mij
toen ze leefde, sloot ik de deur.
nu ze al jaren weg is,
komt ze in pastelversie
door mijn avonden dwalen,
knipt overal het sfeerlicht aan
ze plooit haar dunne lippen in de spiegels
met mijn geleend gezicht,
zuigt tandeloos op verlopen madeleines,
rookt de chocolade uit de cigarettes russes op,
klampt zich vast aan stroken lijkwade,
gordijnen uit haar laatste geur
mijn kind toch, zegt ze
en ze legt haar geelberookte hand
op de grote hitte in mijn hoofd,
ze is weer mijn naam vergeten,
stapt uit de riedel zelfbeklag, wenkt mij
naar het hoekje knutselwerkjes
uit haar jonge moederdagen,
speurt naar de blik
die ik haar altijd onthouden heb
***
wie zal de moeder voor mijn kind zijn
als ik het niet mag.
wie zal kerkhofblommen begieten
als ik niet uit de zetel geraak.
wie zal mijn huis bewonen
als ik mezelf onbewoond achterlaat.
ik zie de mensen voorbijgaan
grijze schimmen onder een regendag,
ze weten niet wat hen wacht,
ik zit op een stoeltje buiten onder het afdak,
de kippen kakelen, de weg wordt heraangelegd,
mijn weg ligt uitgestippeld
ik verbind de punten al heel lang,
achter mij sterft een boom,
achter de boom een mens.
er moeten ogen zijn die alles zien voorbijgaan,
het zijn de mijne niet
mijn zicht is beperkt al sta ik oog in oog
***
christusleeg
altijd kies ik dat wat overblijft:
de kippenvleugel en het kontje, niet de bout of blanke borst,
de meest ineengekoekte wollen trui uit de hete was,
het laatste badwater waar zelfs de plastic eend uitspartelen wil,
het lelijkst bebrilde meisje uit de klas ridder ik
tot zes jaar weeskinderlijk schoolkameraadje
wordt er iets gestolen dan steek ik onmiddellijk mijn hand op,
ik krijg nooit straf, uitverkoren door het blinkend lot
der onzichtbaren, de stille narren
uit mijn bolle lijf glijden jaren later de drie schoonste zwanenzwanen,
ze spreken: bij jou blijven we niet of we spiegelen over twintig jaar
drie lelijke eendjes bijeen, vaarwel moedermijn, beter nu dan laat
sindsdien schrijf ik elke week een brief naar het land
waar zwanen wonen, scheur die in snippers, puzzel alles weer ineen,
kijk op mijn horloge
die nu op zeventig staat,
zoek de laatste klasfoto
waarop een meisje zonder bril niet in de camera kijkt,
heel hard trekt aan haar veel te krappe trui,
wist de schoolfotograaf dat zij zulke koude voeten had?
achter mij naast het portret van fabiola met haar gemaal
hangt een kruisbeeld,
zo christusleeg als een kind dat zichzelf uitgegomd heeft
|
Maarten Bogaert
Bekentenis
Eigenlijk lieve schat zou ik je naakt
bij het grof vuil moeten zetten - wachten
tot iemand je meeneemt.
Als een straatjutter jou abusievelijk in wil pakken zal ik hem terecht wijzen
op je houdbaarheidsdatum de schimmel in je liezen
de wrange smaak van je vileine tong je borsten
twee verborgen gebreken.
Als iedereen jou verzaakt zal ik je braakliggend lijf weer naar binnen dragen
jou de huid afstropen opspalken droogluchten.
Daarna zal ik je tekenen zul jij eindelijk
betekenis hebben.
|
Goedele Horemans
Toen de wereld nog zong
Mijn bed heeft spijlen,
ik kan er niet uit.
Een bromvlieg tikt het raam aan,
kwetteren van de zwaluwen,
en de stem die de duiven roept.
Slaap kringelt door mijn hoofd.
Ik glijd door de deur
die daar op een kier,
waarachter het wondert.
Het ruikt er naar gras dat bijna hooi.
Ik ren in armen die me optillen,
naar een stralend gezicht.
Het lacht me toe,
zet me op de schouder en draagt me.
Dan hoor ik de veilige hartslag
van de dingen rondom
bom-bom.
Wakker en weg is de wei.
Weer in mijn bed
in de zwijgende kamer, ik roep
tot haar stap op de trap, de deur opent,
ze sust me, zegt mijn troetelnaam,
tilt me naar de middag.
|
Flo Notebaert
laat blauw maar
je kunt blauw niet bepalen
dat is mijn mening
er is dat klare blauw
boven onze kruinen
je mag op de hoogste ladder staan
het is niet te grijpen
zo is ook de zee
ik nam eens een schepje
maar het blauw was al weg
dan is er ook dat nachtblauw
het duistere
van een pot inkt
en het zware
dat gegrond is
giftig soms
asfalt cyanide kobalt
bah
ik probeerde eens blauw te sorteren
want zo hoort het
baby blauw
marine blauw
azuur
ik kon het dat niet aandoen
het zijn maniakken
die blauw in blokjes hakken
om het te kennen
misdaan
smaakloos
opgesloten blauw
geef mij maar niet begrijpen dan
de magie van één blauw
|
Anita Pardijs
Kuilvoer
Het kuilvoer op de deel waar ik
liever ruim om heen loop
vertelt me dat ik ook gehakseld gras
bewaar in lebmagen om te verteren
dat ik daar groen en zoekend ben
ik mis de andere magen de samenwerking
om wat platgeperst verzuurd is
te ontwarren er voeding uit te halen
ik neig me terug omdat het nattig koud
en te lang heeft gelegen onder zeil en autobanden
we waren blij de kuil mooi dicht net voor de regen
ik gloeide dat ik mee kon helpen
wat wist ik van bewaren en de juiste tijd
van openen en pakken snijden.
***
Plan
Ik zal vertrekken naar ver en verder, turen
naar kolibries, uren omhoogkijken
in bossen van berouw (met varens
veel zachte varens), ik zoek
een tas die ik kan tillen
vouw mijn geschiedenis op, eerst
in de lengterichting in drie delen
dan tweemaal overdwars, wikkel
herinneringen die zachtheid behoeven
in vesten van mohair, hang frivoliteiten
en kleurige feiten zichtbaar aan de zijkant
(een goede binnenkomst is ook wat waard)
in het voorvak komt wat ik heb geleerd
onderin orden ik het tekort, achter ingenieuze ritsen
blijkt ruimte voor dat het was precies zoals het was
(ik werd een beter mens)
onderweg zal ik soms iets herschikken
te water laten, erover vertellen
aan vreemden, aan kolibries
die het zoemend licht opnemen.
|
Marco Starmans
Perron
Onder invloed van hoge hemelse sferen
beloven twee rails elkaar de eeuwige trouw,
platonisch uiteraard, het blijft parallelbouw,
tenzij het wissels zijn, daar kan het verkeren.
Onderweg meer dan duizend en een gedachten
boven hoofden, in telefoons, onder jassen.
Liefdesverklaringen, verborgen in tassen,
aan minnaars die op reddende treinen wachten.
Een halfvolle of halflege koffiebeker,
naargelang de gemiste aansluiting eenzaam
weggeworpen of in goed gezelschap zeker.
Tussen twee stiltes de klanken zonder lichaam,
een fluwelen vrouwenstem uit de luidspreker.
En ik? Ik sta stil in een voorbijrazend raam.
|
Benoit Van der Cruysse
depot
men lost de woorden hier per pallet
de heftruckchauffeur die zonder kijken
het vergeef me naast de laters zet
men tekent hier voor ontvangst van wat
niet is overgekomen, het stof op de klinkers
hoe de stilte hier per lopende meter
wordt gewogen en opgeslagen
en soms, wanneer de administratie stokt,
dwaalt er iemand door de gangen, zoekend
naar die ene zin, dat ene koude woord
waarmee het jaren geleden begon
***
Vergeten
We zoeken dieren en draken en zien
alleen wolken die als vetvlekken
op de hemel kleven.
We delen deze blauwe rechthoek:
een water dat weigert te stromen,
een diepte die nergens heen leidt.
De bodem is een rooster van witte voegen
dat de tijd in vierkanten dwingt. Ik lig stil.
Je legt een ijsblokje in mijn nek en we lachen
niet om wat bevroren is.
Ik zie een leeg balkon, gesloten luiken,
en voel de hitte die onze lijven uitsmeert.
We delen de schaduw van de parasol
als een dunne huid en voelen het gewicht
van de zon.
|
|