|
|
JUNI 2026
|
Claire Moens
Ariane Vergult
Rob van Gennep
Michael Vonk
R.J.Leon
Goedele Horemans
Greta Marien
Thomas Eyskens
Annika Cannaerts
Emilie Heirbaut
Lucas Smith
Marc Serruys |
Claire Moens
Hypochonder by proxy
je hoest
de kamer trekt vacuüm
mijn ogen zoeken
fantoomsymptomen
een vlek onder de huid
een graad te veel
je zegt
het gaat wel over
maar ik hou
de stand bij
alsof verlies
zich oefent
in jouw lichaam
***
nulpunt
de kamer ruikt naar wachten,
naar alcohol en lakens
steriel, afgemat
de diagnose
sloeg de routine uit zijn scharnieren
wie mij ooit droeg,
wieg ik nu
ik was je dagen weg,
buig angst om tot iets dragelijks
noem het zorg |
Ariane Vergult
dragen en bidden om kracht
gezeefd licht valt op haar bezige handen,
zwart gegroefd van schorseneren te ontvellen
met sneetjes op de kussens van de duimen,
kampioen in pleisters plakken,
knielappen op broeken naaien, onderhoudt ze
de kleine dingen uit haar dag
soms kijkt vanuit de fotokader boven de pompsteen
met zwart fluwelen lint rond een hoek,
vrank een jongetje met bambiblik haar aan,
lacht languit, kort hapert de plooi in haar mond terug in hem,
er is geen hemel
ergens beiert een verre klok uit jonge dagen,
wil ik dat haar stroeve hand over mijn schouder glijdt,
wil ik vrije klinkers door haar korte woorden blazen,
de krop uit haar lange keel halen
***
stoepzussen
op een dag, ik ben haast zeventig,
vind ik mijn nooit gezien netwerk op de stoep:
mijn vader die de klok herstelt in mijn geveltuintje,
mijn moeder die al haar lood in het goud van drie zussen omzet,
drie zussen die ze zomaar voor mij gehurkt in de tijd de wereld inperst
om memory te spelen en om me te behoeden voor het bospaadje
naar oma die door een vermomde wolf nog aan het verteren is
jezus doet ook weer mee, hij loopt over de plassen op de stoep
met vissen onder zijn voeten, wij bestaan gezessen uit water met zout,
alle ontogenese is filogenese
poneert zus 1, de filosofe die biologe werd
tegen zus 2, zus 3 en mij
zus 3 zegt dat ze creationiste is, slaat een kruis uit speekseldraadjes
zus 2 antwoordt dat wij een goochelaarstruc zijn,
een illusie en tovert een konijn tegen de muur met haar overspelige hand
en ik die nooit een netwerk had, zeg
dat ze elk een beetje gelijk hebben,
tegelijk zeggen zij die al altijd zussen waren:
loser en tonen me hun langste tong
ik berust want op de stoep spuit moeder nu odejavel
over de plas waarin ik de zussen oplossen zie, een kleine luchtspiegeling,
vader stopt meteen zijn klokkenwerk,
ik kruip terug in de petieterige voetnoot van een zeventigjarige,
die weer haar freezeknop induwt:
tussen droom en daad gaapt immers de blueprint van de nooit uitgenodigde geboortefee
***
kuisziek
vlekkeloos word ik gedroomd door een vrouw die moeder heet,
zuinig laat ze me te water, schrobt het vel,
poedert met een wattenstaaf het wit de huidplooien in,
zet de haardroger op hard, wuift luchtkusjes
is niemand thuis dan haalt de vrouw me
uit haar hoofd om kind te zijn,
niet te veel, niet te druk, netjes, beleefd,
liefst zittend met een boekje in smetteloos witte jurk,
gelakte schoentjes, de zolen rein gepoetst,
ze rolt de letterloper uit:
krantenpapier onder bengelende voetjes
liefst met de juiste lichtinval zonder stofdeeltjes
op de konen zodat ze me schilderen kan, mocht ze dat wensen,
verf spat, grillige contouren sluimeren best ongerept
ik begin dan te verdwijnen,
te kijken naar platanen ,
mezelf, kijkend door het raam, een fietszadel op te duwen,
te bewegen uit haar corset tot ze me geagiteerd
weer naar binnen duwt in dat zorgzaam hoofd van haar,
de zetel waarin ik zit stofzuigt,
ontsmet |
Rob van Gennep
Dit huis
dit huis bestaat niet meer
toch brandt er licht
wat bracht ons hier
anders dan een schuilen
een dak
het geluk van een geboorte
eerst hadden we elk een kamer
een eigen vlag
nu slechts in puin het helle licht
als staal het steen straks schuift
en alle dwarsverbanden breken
moet blijken wat er van een kind nog rest
dit huis bestaat niet meer
toch brandt er licht |
Michael Vonk
Het onverkleurde vierkant
De nagelbuiging in de wand,
een herinnering aan gewicht,
houdt nu enkel de tocht vast.
Tussen de bloemen van het behang—
die vergeelde kelken, verstikt door jaren zon—
huist een verstild restant:
een vlak van ongebrand papier,
koeler,
zinderend van witheid die de kamer weigert.
Geen ogenblik dat terugkaatst.
Geen pupillen die de kamer peilen op zoek naar
de rimpel bij de slapen of de stand van de kraag.
De leegte ademt tegen de kalk.
De vingertoppen tasten de grens af:
daar waar het stof ophoudt
en de zuivere vezel begint.
Een handpalm rust op de plek
waar de reflectie dacht te wonen.
Het pleisterwerk geeft geen krimp,
zendt geen oordeel terug,
slechts de trage koelte van steen.
De schaduw van een voorbijvliegende vogel
snijdt diagonaal door het lichte vlak,
zonder te breken op glas.
De wand is nu een vlies,
een long die opengaat
in een kamer die niet langer naar zichzelf staart.
Er is de ademhaling,
het kraken van de vloer onder de hiel,
en het stof dat langzaam,
onverstoord,
de nieuwe grens begint te wissen. |
R.J.Leon
Een boek op de tafel waar het licht op valt. Zij is een lezeres. Zij woont in Kyoto. In Kyoto staat een wilde appelboom. Doornige twijgen aan een gebarsten schors. Geen zuchtje zomerwind. Eén onbeschreven blad. Een wit gelaten hart. Een links geschreven brief. Een reactie laat op zich wachten. Wachten is niet de eeuwigheid. Ze duurt niet langer dan een slapeloze nacht. Er kleeft een glimlach aan de maan die niet wil vallen. Ze schijnt niet verder dan een doodlopende straat. Schaduw legt een plooi in wat slechts vlak kan blijven. Voorbij de muur ligt de wereld open. Zij wacht aan de andere kant. Zij woont bij de wilde appelboom, in Kyoto. De avondgeur van rozen. Op de tafel een boek waarin het licht opvalt. Piepkleine muggen.
***
toen iemand gebaarde van liefde in je handen opgeslagen
had je daar een bedenking bij
wat dat doet met de palm en de vingers
roept het vragen op
of ze van de huid of de rug af te lezen is
of ze gedwee is of op uitbreken staat
of ze zwaar is en rond als een glazen bol
misschien eerder licht en puntig als een toermalijn
heeft ze zich verschanst
stokstijf opgerold
of beweegt ze als een geleedpotige
zijn er barsten in haar pantser
en laat ze in zich kijken
heb jij ze helemaal eigenhandig in elkaar geknutseld
en toen ze viel en brak
was het toen dat je je hart verloren hebt aan Japan? |
Goedele Horemans
Zonder-ik
Ze leefden in groep en grot
dronken het stromende water
in samen vonden ze voedsel
was veilig, was verder bestaan.
Er was de bijl van de ander
die waakte en rugdekking gaf.
Zo bleef schaduw aan hielen
gebonden, al volgde hij overdag
Maar soms bij het stilstaande water
was er een wezen met zoekende blik.
Ze vreesden die Nekker, die Slokkeman
die om het licht van hun ogen kwam.
***
Hoe brei ik een eind aan zwart
Ik weet precies
wat het raam dichtsloeg
en het zwart in mij ontstak.
Als sluipgif drong het verder door.
Nu heeft de dag een rafelrand.
Ik merk dat ik niet meer zing.
Het zwart verzwaart mijn stap.
Het krast, het weerbarst.
Van aandacht trek ik draad,
ontwar het zacht oranje.
Geef het tijd en warm licht.
Twee priemen, steek voor steek.
Ik neurie mee met de radio,
brei een pijler van wol. |
Greta Marien
Snarentheorie
Ik sluimer in de kromming van de tijd
voorzien van handen, lippen, ogen, om te delen
en een mentale vingerafdruk die slechts
eén iemand ambtshalve aan me bindt,
Geef mij een teken, liefste, laat mij je uit
het niets vertalen. In gedachten heb ik
al een beeld van je gevormd… met
kopspelden tussen de lippen afgemeten
Jij welt in mij als kalm water uit heldere bron
Je lendenen soepel rond de vorstelijke kom
die vol maar ook robuust je benen schraagt
je ogen die als groeipolen mijn gestalte dragen
daarom ook verzin ik je elke dag opnieuw,
hoewel je al lang spilindex bent in mijn enclave
leg,ik,je in dit bed van klaverbloem en ochtendgrauw
waarin wij soms over oevers van kalme overgave
in elkaar overvloeien, samengroeien,
rakelings langs elkaars hunkering gemeerd
in een osmose van vliesdunne tederheid
een speeddate van wild maar ongewapend vlees
Luister, er liggen oceanen tussen ons
maar ook de wetenschap
dat continenten drijven op het
ritme van de snarentheorie
dat ze ooit in elkaar zullen grijpen
als septiemakkoorden in een kamersymfonie |
Thomas Eyskens
ONBEWOONBAAR VERKLAARD
Ik verruil mijn huid en haar voor veren,
zodat ik zonder vleugelslag stilzwijgend
zweven kan over de Stille Zuidzee,
van eiland naar eiland naar eiland.
Ze liggen op een keilafstand van elkaar,
verstoorde cirkels, oogverblindend
als paradijzen onbewoonbaar verklaard.
Op een strijk ik straks neer en wacht.
’s Nachts trek ik mijn huid weer aan
en zoek op de vloedlijn naar aangespoelde
fragmenten en restanten van mezelf.
Ik neem alles mee wat ik dragen kan.
***
EEN KLEINE VERGETELHEID
Mijn schriele armen rusten op de ronde steunen,
de benen ongekruist, de voeten met de grond
verbonden. We praten nog heel even voor ik
tot een beeld verstil. Ze tekent mij met één oor
zichtbaar, een zwarte bril omringt de beide ogen.
Het uitgedunde haar op mijn hoofd, niet meer
dan vijf horizontale strepen. Mijn smalle baard
drupt puntsgewijs van mijn gelaat. Mond halfopen,
alsof de dood bestorven op mijn lippen ligt.
De blik gericht op iets dat buiten beeld gebeurt.
Want door het open raam hoor ik revolverschoten,
die weerklinken in de straat als hoge korte noten.
Ze blijven hevig suizen in de schelpen van mijn oren,
tot ik ’s avonds thuisgekomen pas besef dat ik mijn
paraplu vergeten ben. Ik zucht en schud mijn hoofd. |
Annika Cannaerts
Donkere kamer
Het meisje dat op geen enkele foto stond
zet zich schrap, rent uit beeld
ik spoel haar still na still terug
naar de instelling waar meisjes flapperen als motten
een maatschappelijk werker zucht verveeld
kijkt naar het portret van eigen kind
ingelijst dichtbij – goed bloed liegt niet
roert nog eens in zijn koffie
hij reageert op een advertentie:
pleegmoeder zoekt pop van stro
om eigen kinderen te zien schitteren
zodra de flits haar onthult, neemt het meisje alweer de benen
ik smeer secondelijm op haar rug, plak haar tegen de blinde muur
in mijn omhulsel, wijs: ik was nog niet klaar
***
Wolvenbloed
Jonge wolven trekken steeds kleinere cirkels
rond het schoolgebouw, sluiten hem in met woorden
als doornen, toveren een reuzenlaars boven zijn gezicht
een vloek op de hut van zijn jeugd
een leven lang oefent hij gedachten die niet klauwen
met klanken rond en zuiver als een beeksteen
maar al wat hij vindt is een kind dat de vuisten balt
op een milde ochtend hangt hij zacht te wiegen
aan een touw, buiten dansen mannen met horens, ze poken
het vuur hoog op met laaiende woorden, laten extatisch
zwarte vliegers op, slachten nieuwgeboren zwaluwen af
***
Karkas
Schimmels en algen spartelen
naar de hemel die koud en hard
terugkijkt, iets in mij houdt zich stil
hij wijst naar orchideeën –
wortels groeien uit zijn hoofd
of is het een gewei
dat zich naar buiten duwt
het is echt spelen, zegt hij
terwijl hij de ruggengraat van een gekko
en de kaak van een zwijn
in elkaar laat passen
hij spiegelt zich in de bolle ogen
van een wrede boomkikker
irissen van goud, zegt hij
en klemt een slangenkopje
voorzichtig tussen duim en wijsvinger
en ik zie hoe alles wat hij aanraakt
een vorm probeert te worden
een fijne vertakking
splijt open onder mijn vel |
Emilie Heirbaut
Sluitstuk
Ik kras elke avond met mijn tanden aan de omheining.
Het huis mag niet vergeten hoe luid ik hier ooit lachte.
Open ligt de trap in splinters
en spreekt mij bij mijn voornaam aan.
De muren stropen hun behang af
als oude huid,
laten broedkamers achter
waarin mijn schuilplaats onder de vloer
nog warm is.
Voegen spugen mijn jeugd uit
in klonten stof en stilte.
Beneden stijgt het water in de kelder
en achter de perceelgrens
oefent Ophelia haar verdwijnen.
De ramen knijpen zich dicht
als ik vertrek.
Daarom zet ik elke avond opnieuw
mijn gebit in de omheining. |
Lucas Smith
gruis
de hemellichten spuwden atomen
ze zwierven door water, kropen aan land
schoolden samen in het lijf van een moeder
tot mijn ik afgenaveld werd door een schaar
de lucht drong me haar zuurstof op
ik keelde tegen het beige van blinde muren
onder helle tl-buizen wogen vreemde
handen mijn vlees in een kuip van staal
het smeer nog klevend aan mijn huid —
ook nu ben ik nog naakt en weet
niet hoe een huis te bouwen
uit het gruis van sterren
***
silicium
mijn blindheid verdween en de vormen kregen
diepte — mijn handen grepen om zich heen
ik leerde vroeg lopen, verliet het roodstenen huis
gebruikte woorden als nooit en terecht
meende te weten wat waanzin
van scherpte scheidt
gulzig dronk ik de nacht, doolde als een stroper
vond huid na huid om ook die
weer achter te laten
ik zag vuurtorens, ruïnes, koepelkathedralen
dolmens en de toppen van de Hindoekoesj
zag nog niet dat de korst die we wereld noemen
slechts silicium is —
***
lunula
dieper en dieper dringt er een naald
onder mijn nagel —
nog voor ik wist wat woorden waren
schoof dit staal naar binnen
vormde blauwrode stolsels, leerde mij
wat vingers kunnen verdragen
het is beter niet te kijken, zegt men
en druppend door te lopen
tot haar punt niet verder kan
maar die naald zal mijn nagelwortel
niet raken —
vannacht, tussen twee tikken van de klok
trek ik haar onder de halve maan
op mijn nagel vandaan |
Marc Serruys
date
in het raam de vrouw met de blauwe jurk.
het witte tafelblad snijdt haar lichaam
op borsthoogte af. tijdelijk schilderij.
de avond en het venster spiegelen ons
dubbelbeeld, om haar hoofd en hals
denk ik een stippellijn en knip haar
in gedachten uit tot draagbare dame.
ze friemelt haar vingerdoek, verkruimelt de tijd,
zoekt een veilige vraag: wat mijn favoriete kleur is
en dat het niet kan, het zwart noch het wit.
ik hou van opera, acteurs blijven zo lang stil,
tot hun dramatische partner, gebogen over het lijk,
uitgezongen is, de longen leeg, en wacht op
de woorden die ik niet over mijn lippen krijg,
ze blijven liggen in het alfabet.
eens zal iemand ze zingen, heel even een lied. |
|