|
JANUARI 2026
|
Tineke Bracke
Masja Vrijland
Helena Schepens
Bert Struyvé
Rob van Gennep
Mees van der Made
Hilde Gee
Cindy Van de Velde
Zahir Turaj
Frank Maet
Allard van Gent |
Tineke Bracke
restwarmte
‘s nachts stond ik op
omdat de kamer anders klonk
de stoel kraakte
zonder gewicht
ik ging zitten
op jouw plaats
en voelde hoe die
nog warm was
ik bleef
tot de warmte wegtrok
niet om vast te houden
maar om te leren
hoe lang
iets blijft
nadat het voorbij is
***
vertraagde tijd
er hing een geur van blijven
in de kamer
waar afscheid lag te drogen
op tafel
lagen kruimels van nabijheid
en een glas
waarin stilte langzaam stolde
ik bewoog me door het stof
alsof tijd daar had geslapen
en liet mijn handen rusten
in de plooien van wat was
ik zag niets
maar kon voelen
hoe het daglicht trilde
alsof het iets vergat
|
Masja Vrijland
Ontsnappen
Veertig kruiken wachten
op geherbergd worden in een spinnenhoekje van mijn onderaards gestel
drie dagen schermen tegen
ondenkbare dorst
veertig rovers passen in minder dan vrijheid
maakbare helden met
droge verhalen die zanderig aflopen
of romantisch niet wel goed doordacht
Mijn kind zit onder een betonnen pingpongtafel
krijgt straks pannenkoek met berenklauw
van een glurende broeimoeder met kwaadaardig plan
zie haar mandje droogappels en zwarte kat
appels ja appels die ze at voor regelmaat
in de guls van haar leven
Nu sla ik in en regel
vóór een publiekscampagne
mijn hybride draden ontwart
dat ik was wat we niet deden
veertig zekerheden
en tijd overhouden
om te bezinnen op een Russische naam
|
Helena Schepens
Uit een dag
het ochtenddonker van oktober
een hap muggen in het park
het ritmische ploffen van de zwemmer
onder zijn arm draagt hij watergordijnen
een broekzakschat
holte in bolle kastanje
geluidswerend glas om
de stad desgewenst te negeren
woelgaten in een nacht waarin we
nog niet of te diep begrepen
duiven en hun fatale voorkeur
voor wielen, ramen en herfstnesten
een hond in slow motion galop
geremd door leiband en baasje
jouw naam in mijn hoofd
de vraag of het een gewoonte werd
|
Bert Struyvé
Stadsparkieten
tegen de muur naast het warme rooster
voelt hij de schittering van koplampen
op het schoongespoelde asfalt
de woonblokken stappen uit het bed van de nacht
gehaast dalen de schoudertassen, glimschoenen
en gestifte lippen af naar een wereld
van razende schuifdeuren en eentonige claxon
hun tegenpool staart naar de groeiende dag
van zigzaggen over de boulevardtrottoirs
waar de a-naar-b-mens niemand hoeft te groeten
in de oase van een parkje graait hij zijn ontbijt
uit bakken barokgekruld ijzerwerk
de stadsparkieten balanceren in eigen afzondering
ze omhelzen takken en een streepje licht
voor hen gaat de zon zo meteen op
|
Rob van Gennep
Bekentenis
ja ik beken en beschrijf
de zonden van mijn lijf
van de ogen die ik neersloeg
van de oren gloeiend rood
van de hoofden die ik stootte
van de billen en het bloot
van de nekken die ik keek
van de tanden laten zien
van de tongen en het kwade
en het toch wie weet misschien
van de huid die ik verkocht
van de harten die ik brak
van de ellebogen achter
van de neuzen die ik stak
van de voeten die ik trede
en de teen waar ik op stond
van de benen die ik nam
en de veel te grote mond
van dit alles beste vrienden
betuig ik mijn oprechte spijt
alleen de geest die ik ooit geef
blijft volharden en ontkennen
pleit zichzelf volledig vrij
|
Mees van der Made
Eenheden
de zee is hier in stukken
in verticale repen geknipt
iemand knipte aan deze kust
linten van golven, horizon
zo is de zee een veelheid
het vele kleine zoute water
zie het water wapperen
in het zand: een zachte schaar
|
Hilde Gee
Vogelen
Zijn het de vroege vogels
of de nachtraven
die er als de kippen bij zijn
als bij zonsopgang
de warme bakker zijn deur openzet
voor dames met kraaienpootjes
die langzaam aan komen kwakkelen
en met arendsogen kijken
of die flierefluiters
hun vleugels nog kunnen uitslaan.
Luistervinken kunnen ze goed
om uit te vogelen
uit welk nest die vreemde vogels zijn gevallen.
***
Wind
Tussen twee bomen
naast elkaar
op anderhalve meter
een wasdraad
Bij windstil weer
drager van een kasteel
vandaag echter
een circustent
Bij wind
neemt moeder de draad over
en wapperen
de lakens droog
Uitgewaaid
op een bed
dragen ze geheimen
tussen de plooien
|
Cindy Van de Velde
Buitenspel
elk speelkwartier leun ik
scheef tegen een steunpaal van het afdak,
als een rubberplant met wortelrot
niemand op dit kinderveld glijdt naar me toe,
niemand duwt me hoger
en ik kan hier niet landen
het liefst wil ik een bladwijzer tussen een heldenboek zijn
de juf zit in de zon en in de schaduw van haar ogen
zet ik mezelf op kinderslot
***
ik had je
je deurmat liegt me welkom
ik sluikstort me tegen de voordeur,
alleen jij geeft niet meer thuis
ik had je willen vragen
me niet te laten zakken
ik had je willen vragen
of er een herkansing bestaat,
een soort van zittenblijven,
een kanttekening in rood
die niettemin gelooft
dat ik het kan
***
kadaverlift
rij me naar je snijzaal
schuif me onder felle buizen
op een tafel van naakt staal
scheur mijn zomerrokken los
markeer de barsten in mijn borstkas
en scheer de schaamte van tussen mijn heupen
leg me dan helemaal open,
zie hoe bleek ik kleur
onder mijn van leer geworden vel
klap me nu weer dicht
nummer me, vergeet mijn naam
maar laat me in je neus blijven hangen
|
Zahir Turaj
Het Lied van de Late Leerling
Vijftig lentes gingen voorbij
voordat mijn handen
het alfabet van de snaren konden aanraken
de viool, hout dat huilt,
en ik, een student
in de laatste hoofdstukken van het leven.
De eerste keer dat mijn strijkstok er overheen gleed,
verdween de wereld
in de mist van een enkele noot.
Maandenlang
trilde mijn strijkstok
terwijl mijn vingers bevroren van twijfel.
Tien jaren zijn verstreken ...
Nu ademt de viool door me heen.
|
Frank Maet
Ik ken het museum
dat jouw thuis is
met trots draag ik je
naamplaatje
Jij komt niet
uit het niets
je bent geen blinde vlek
naar jou wordt opgekeken
Al matchen onze profielen
niet in de tijd
onze afspraak blijft
van onbepaalde duur
Je toont je met strik
strak en frivool
altijd klaar om te verschijnen
als wie je ooit was
Mijn leven
is je toevertrouwd
steeds opnieuw
onder ouderlijk toezicht
Ik ben gevormd
door jouw beeld
maar terwijl jij verschiet
ontwikkel ik verder
Ik ben de kloon
die niets mag overkomen
aangezien jij voor mij
vertrokken bent
Ik behoor je toe
al voor ik het wist
geboren als suppoost
van de familie
|
Allard van Gent
Gaandeweg
dit is de halte
dit is mijn houding
gaandeweg
openen zich maisvelden,
ik stap erdoor met brede passen
ik ren door gangen
van een verlaten metrostation,
waar muren zwijgen
ik slenter ’s nachts, aangeschoten,
onder goudgeel lantaarnlicht
in een lege stad
gaandeweg
blijk ik
al aangekomen |