|
FEBRUARI 2026
|
Robert de Lange
Emilie Heirbaut
Ariane Vergult
Luc Vanhelmont
Thomas Eyskens
Jeanet Kingma
R.J.Leon
Maarten Bogaert
Nikki Petit
Marc Serruys
Tami Gandinese |
Robert de Lange
Levensdans van Edvard Munch
het geluk klinkt wit
het verdriet behoort zwart
de passen volgen het patroon
geteld op levenslijnen
mag ik je vragen om een dans
zoals geschreven in je hand
achterwaarts vraagt om een draai
dan weer vooruit onwetend
de muziek speelt op de laatste snaar
en of wij beiden hand in hand
de liefdeskant beklinken
kan ik niet voorzien
maar ik zal je leiden
tot stilte klinkt en mijn hand zich lost
waar je dan staat mag ik niet weten
blind is het lot en wil dat blijven |
Emilie Heirbaut
Brussel
ik heb blaren aan mijn handen
te lang vastgehouden aan jou
broer
in onze wijk waar trappenhuizen
naar urine ruiken
schrift op bellen half is weggekrast
de huid staat los
slecht geplakt pleisterwerk
elke straathoek trekt eraan
elke blik vraagt
of ik nog sterk genoeg ben
onder mijn nagels
zit het grijs van woorden
blijf achter mij
kijk naar de grond
zeg niets
mijn lichaam was te lang jouw deur
terwijl sirenes oefenden op onze namen
teveel pathos voor het front
nu vergeet ik mijn jas aan de kapstok van het plein
kou is overzichtelijker
***
Zonder wolf
Roodkapje liep fabelloos.
Het bos hield zich professioneel.
Geen gegrom, geen fluisterfluitjes.
Alleen het plot had honger
en knarste ongeduldig tussen wortel en schors.
Haar mandje was zwaar van gehoorzaamheid
en licht van gevaar.
Ze droeg boter, brood
en alles wat vrouwen leren dragen.
De bomen vormden geen moreel kader.
Het pad bleef een pad en werd geen keuze.
Ze plukte bloemen
die niet vroegen
voor wie ze bloeide.
Verleiding had vandaag vrijaf.
Bij grootmoeder kraakte het bed
slechts van ouderdom.
Er was geen pas op,
geen had ik maar.
Geen man met bijl
die held werd.
En toch
ergens tussen de varens
bleef het verhaal met lege handen achter
want de wereld is gewend aan tanden
en zonder wolf leert een meisje niets.
***
Metamorfose
De nacht struikelde over mijn koplampen.
Een lichaam brak open tegen de stilstand.
Sindsdien loopt er een onhoorbaar dier door mij heen.
Schuld nestelt zich achter mijn ogen.
Ik tast de huidplooien in de weg af,
merk hoe mijn handen ronder sturen,
mijn nieuwe kompas
altijd naar kwetsbaarheid wijst.
Wat blijft is één poot vreemd gedraaid,
die zich uitstrekt, tergend langzaam
wanneer ik ‘s nachts omdraai,
mijn buik niet volgt.
Dat kleine kantelen
alsof het hertenkalf, in zijn laatste seconde,
iets in mij heeft losgemaakt,
sindsdien niet meer terug verhardt. |
Ariane Vergult
op de schommel een kind
verrassend vlezig komen de doden
op visite door de sleetse mazen
van het vliegenraam,
dralen in de verstorven naden
van mijn vaders muffe stofjas
ze schudden lappen familiekroniek
uit hun onderbuik op mijn adres,
lezen banen van verzwegen bloedschande
achterstevoren in mij,
ontbloten dubbele agenda’s,
halen tot hun hitsige spijt
belegen listen uit hun hoge hoed
het belang van de historie verwatert
ik geraak oud en vreemd verwant,
was in maximale onschuld
hun vranke hand
die in de veel te lange tuin
borstjesloze meisjes met witte sokjes
‘s zomers op de schommel vastgreep
( cyclus incest)
|
Luc Vanhelmont
Matthäus Passion
Kleine décalages zijn bijna onvermijdelijk, stond in het programmaboekje.
Op het gezicht van de dirigent was het even te zien:
dat er iets gebeurd moest zijn dat hij had voorzien.
Dat dat ook niet erg was,
een grapje van de tijd :
het bericht van het koor rechts over de dood
op tijd naar de andere kant laten vertrekken
en een beetje foefelen
zodat het andere koor op zo’n dertig meter de sms
later kreeg, te laat eigenlijk
als je het met de cd vergeleek,
en verwonderd keek
en in de war was.
De glimlach van de dirigent :
grapje van Bach
in een lang verhaal over verraad en nog meer dood.
En je wou dat het jou zou lukken dan
om het publiek te laten weten:
het is niks,
grapje tussendoor
nu ik tijd met altijd ruil.
Als die koren maar zongen
van neer gaan zitten
en tranen.
Dan met een glimlachje kunnen zeggen:
kleine décalage,
niets aan de hand,
onvermijdelijk.
|
Thomas Eyskens
RITA
Een verkeerd gekweekte hen met witte veren,
m’n Britse korthaar met verborgen hartproblemen,
bonte guppy’s uit een splinternieuw designaquarium
en die egel vorig jaar, die de straat blind overstak.
Een roekeloze duif die op het keukenraam
haar afdruk achterliet. En dan vergeet ik bijna
Kommer en Kwel, twee destructieve dwergkonijnen.
Waarom ben ik altijd doodgraver van dienst?
Ik zal maar weer eens een plekje zoeken, een putje
graven in de achtertuin, ditmaal voor die arme Rita,
de schildpad die ik erfde van mijn overleden oma.
Of laat ik eens iets anders uitproberen, de gouden gids
bij de letter T: tandprothesen, tankstations, tapijten,
tatoeages. Ah, hier heb je ze, de taxidermisten.
***
ZWARTE GATEN
Ik las vanmorgen over de banaliteit van zwarte gaten.
Ze zijn gewoon baatzuchtig, houden alles
voor zichzelf. Zelfs het kleinste lichtdeeltje delen ze
niet met ons. En om hun kosmische honger te stillen
verslinden zij de sterren en planeten om zich heen.
Hoe kan een zwart gat zo vol zijn van zichzelf?
Stel nu dat er eentje opduikt in de buurt van onze aarde
en plotsklaps ieder van ons laat verdwijnen, dan zitten wij
straks met een open einde. Ik kan alleen maar elke avond
de ramen sluiten, mij te slapen leggen bij jou, onze lichamen
laten krommen in de ruimtetijd. Eén van ons trekt misschien
het deken naar zich toe en legt de ander in het donker bloot.
|
Jeanet Kingma
Dwaalgasten
I
Bij gebrek aan bomen
speelt de wind met groepjes gorzen,
blaast ze rond als tuimelend blad.
Verderop schuiven de vlakken.
Droogvallend slib. Onze blikken
volgen bergeenden, lepelaars, meeuwen.
Bij gebrek aan vleugels
ritsen we onze jassen open.
We houden onze armen wijd.
Morgen proberen de wolken andere
composities, gezien door andere ogen,
andere vogels, glijdende tijd.
|
R.J.Leon
Marwa heeft niet altijd hier gewoond.
Waar ze was kon ze niet meer zijn.
Daar vandaan komt ze waar dagelijks
als kolkende lava het nergens uit de huizen
door de straten stroomt.
Van al het niets wat daarna overbleef
heeft ze al wat ze nog kon vinden
mee naar hier genomen.
Aydin, Amin en Walid zijn niet meegekomen.
Met zorg rijstkorrels tellen.
Niet te verwaarlozen.
Maar hoe nauwkeurig ook, het is net zoals
je in een gedicht nooit melding maakt
van het aantal doden.
Het zijn er altijd meer.
Samen koken en naar buiten kijken.
Marwa ziet anders dan ik ooit zal moeten zien.
Onze glimlach kent nog tranen.
Ook nu is nooit alles
achter de rug.
En of ze ooit nog terug.
Marwa helpt me de maqlouba om te keren.
***
Hij voelt de volle schaduw van wat een grote vogel lijkt. En ziet een engel landen. Die schudt de wolken uit zijn veren en draait zijn vleugels naar de zon. In de bergen wordt het stil. De engel spreekt met hem met blauwe lippen. Het is niet het blauw van stamelende koude noch het blauw van blauwe dagen. Het is het blauw van wilde cichorei, het blauw van storm op een kleine zee. Ze praten over alledaagse dingen, over vragen, twijfels, over lente en de liefde, over de deining van gedachten en de dingen daaromheen, over dikke boeken en bestendigheid. De engel toont zich meester van de tijd. Die lacht tot weerziens, maakt een handgebaar, zwaait, als een kind, uit een kindertijd die niet ten einde gaat, een blauwe plek waar engelen veilig kunnen landen.
|
Maarten Bogaert
Ontbreekwoord
Het wordt nat en grijs
zegt de weerman op een toon
alsof hij een weerpraatje maakt.
Dat voorspelt weinig goeds
zegt mijn vrouw die de zon
in het raam achter me ziet zakken.
Grijzedweilenweer denk ik
opgeruimd alsof ik dat woord
zelf heb verzonnen.
|
Nikki Petit
Kapseizen
je huilde niet
hoop kapseisde in de kamer
een kraambed verdraagt immers
geen stilte
gehaaste handen wikkelden je
in een doopkleed van aluminium
namen je mee
te ver van mijn reikende handen
te ver om ooit nog je weg terug te vinden
ze hoorden ons niet schreeuwen
thuis trok alle lucht uit de kamers
het galmende huis met onbeslapen bedden
klapte ineen toen ik het verliet
niemand hoorde ons breken
|
Marc Serruys
vader
vader boog zich ver voorover, de mond vol spijkers,
die hij één voor één in mijn kinderkopje sloeg.
ik hield zijn dik behaarde armen vast, één moment
lag zijn zware hand op mijn zieke schedel,
de geur van sigaren uit zijn dichtbije mond.
‘het houdt je rare gedachten bij elkaar’, grijnsde hij
jaren na de stilstand van een falend hart
hoor ik het hameren nog in de echokamer
van toen en hunker naar hoofdpijn, rookpluimen
zover herinnering reikt, krimp ik naar het kind toe,
grote armen die een lijfje passen dat veel en veel
te klein geworden is , maar nog warm aanvoelt
als was het pas uitgedaan, zoals na het doven
van het licht, de lamp en de gloei voor het slapengaan .
***
anorexie
ingewikkeld meisje,
trekpop door angst
hoog boven haar
bewogen, ledematen
met splitpennen
aan het lichaam vast.
haar stappen staccato,
het dansen een vallen
van één beweging
in een andere.
kind van krassen,
pop aan scherven,
craquelé doorschijnend
porseleinen kopje
waaruit het riskant
drinken is.
gram om veel,
woorden weinig,
geen regels meer.
***
alpenliefde
wij waren Zwitserland,
een vrolijk cardiogram,
we sneeuwden een bed,
dooiden onze ijzige lijven.
we waren teleferiek, tilden elkaar
de hoogte in. jij gilde.
het zwijgen achteraf een landingsgestel
waarop onze gedachten rustten.
we hadden woorden,
dobbelden jouw gelijk bij elkaar.
we gaven namen aan de regen:
huiddorstlesser, masqueur de larmes
de souffleur die in ons huisde
verklaarde het als vrieslucht
we werden pipet en waterval
stortten in, druppelden weg.
feestelijk wit streken we
het gekarteld landschap glad.
|
Tami Gandinese
Stemmen buiten dragen geluiden,
ze raken de stilte
van een nacht die zich uitrekt
als een lang vergeten metaal.
Jouw lichaam, een veld vol littekens,
mijn handen volgen de scheuren,
halen licht naar boven
uit plekken die gesloten waren.
Je breekt open in flikkeringen,
een vlam trekt haar spoor langs je buik,
je sproeten gloeien
als kolen die weigeren te doven.
Wij bewegen tegen elkaar,
als messen die vonken slaan,
geen bodem, geen houvast,
alleen het gewicht van verlangen.
Jouw mond een snede,
mijn mond zoekt
de verborgen vonk
die in je nekplooi glanst.
Wij persen ons in elkaar,
alsof een stroom ons beiden verbrandt.
Geen licht, alleen de gloed van je schouders,
die brandt, tot de nacht haar laatste zuchtje neerlegt.
En in de beklemming van deze ruimte
klopt de tijd, klopt hij blind, klopt hij ons open
tot onze lichamen zelf
geen geheimen meer bewaren.
|
|