Het gezeefde gedicht | Het Gezeefde Gedicht


OKTOBER 2017

Marieke Maerevoet
Ludo Bleys
Stijn Van der Stockt
Astrid Arns
Frie J. Jacobs
Bjorn Delbeecke

Marieke Maerevoet

waarom zou wie vertraagt in de schaduw blijven

we nemen elkaar mee en fietsen samen langs lange dijken.
en in drukke straten ontwijken we steeds vaker huizen
waarin nu anderen wonen dan de vrienden
bij wie we altijd welkom waren.

en ja, we doen musea aan, cirkelen rond hoge torens, bezoeken
kathedralen. we verpozen op terrassen en heffen er het glas.
een zomer lang laven we ons aan de hartenklop
van iedere mooie stad.

daarna zullen we gaan zitten waar geen plaats is om te staan.
op de smalle richel waar de aarde in de zee verdwijnt,
beloven we elkaar dat wie een voorsprong krijgt
de horizon bewaart.

 

late lezing

we hebben de brieven teruggevonden
in de verste hoek van de zolderkast.
al haast een halve eeuw hielden ze er
in blauwe inkt onze lenige vingers vast.

aan lezen en sterke lenzen gewend
zien we hoe wie jong is al wil weten
wat nog niet te ontwaren valt, hoe licht
hij de antwoorden voor de vragen spant.

want wie weet ooit of het lopen wordt,
wandelen, slenteren, de weg verliezen,
of je tuin een park zal zijn of niet meer
dan een balkon, of je in liften stapt,

op trappen wil lopen, naar een stad vertrekt,
in een dorp blijft wonen waar naast je deur
een koperen klopper hangt en of er wordt
opengedaan voor wie op de drempel staan.

we blijven postzegels kopen, briefpapier,
bewaren en dozen met briefomslagen.
we schrijven wel maar we posten nooit meer,
de postduif heeft de krop in de keel.



Ludo Bleys

spleen

alles verovert zich een plaats, krijgt een naam,
kiest een vlag, ontvouwt een spel
met pratende poppen, met politiek gespuis

en torens voor elk godendom.
wie er woont wacht tot de nacht, windt dan
de klokken op tot een orgie

en heeft geen grip meer op de dagen.
wie hoedt de kuddes, kent de weidegronden
of wichelt naar een verborgen bron

het regent in mijn huis

 

weloverwogen

treur om de gesloten boeken
in het magazijn, om hun geduldig wachten.
iemand heeft het ooit geweten

treur om de verdwenen noorderzon,
vluchtplek voor vergooide woorden.
niemand heeft ze ooit gezien

treur om het gekozen pad
waar honden jagen en mensen
stiller zijn dan de rivier

kijk onverstoorbaar toe
als dingen gaan verwelken,
als er een porseleinen kopje breekt

 


Stijn Van der Stockt

 

Wij

Nu verglijdt de winter van ons malcontentement
in een broeierige zomer die ons, luidkeels en potent
dankzij die glorieuze echokamer uit New York,
weergaloos en wereldwijd weergalmt. Hier is de stemvork
waarop wij, onvervaard en zonder handrem
op de lage, dissonante contrabassen stemmen
van het kikvorskoor dat walmt uit steeds meer smoelen.
Tot zij die ons niet horen, ver van onze modderpoelen,
verschrompelen van angst voor morgen.
Tot zij die ons verachten met hun welzijnszorgen
en hun goedbedoelde, stomverbaasde holy shit
ook eens voelen wat het is om steeds het onderspit
te delven. Delven wij dan thans het graf
van al wat heilig was. Schaf de grondwet af,
grijp vrouwen bij hun kut. Gooi betamannen buiten,
verander brave burgermannen in schavuiten
en kust gij voor de rest eens ferm ons kloten.
Wen er maar aan. Wij zijn hier, de Visigothen,
en we verwarmen ons aan uw brandend Rome.
Onze wil geschiede, en ons rijk kome.


Astrid Arns

Caritas

Mijn naam op de deur van een kraaknette gang.
Men brengt mij een stoel aan een tafel. Geen spiegel.

Straks krijg ik papier en pen. Geen bestek.
Ik heb honger en dorst, zoek naar woorden.
Geen hand legt zich tegen mijn wang.

Geen mens kijkt mee naar een streep in de lucht.
Het wit is er nog en ook dat zal verdwijnen

tot het nergens meer is.

 

Cirkel

Het is ochtend. Een huis met neergelaten luiken.
Muren houden warmte vast.

Ik ben bang dat de deur openzwaait,
moeder mij brandmerkt met vragen.
In mij is een bergplaats waar ik dingen bewaar.

In mijn hoofd groeien kamers, een tafel, een bed en haar schaduw.
Ik noteer stilzwijgend haar naam nu ze dood is.

Recht mijn rug, sluit de deur,
strooi haar as van me weg.

Frie J. Jacobs

Chemo

‘s Morgens kamt ze woorden uit haar lange haren, vlecht zinnen 
tot dromen die ze bewaart voor wanneer nu naar later verlangt.  

Elke zevende lettergreep legt ze opzij, om een knot van te maken
die de werkelijkheid vervangt, als dat nodig mocht zijn.

Het laatste woord steekt ze op zak, weet ze straks wat te zeggen 
aan die vreemde vrouw die een voor een haar haren verliest.


Bjorn Delbeecke

Liefde


Liefde moet mooi zijn om onvoorwaardelijk te zijn, denk ik soms,
Met haar als het gele dons van een kuiken, het witte kroezelhaar
Van een lam of een rode kwispelende paardenstaart langs achter
Door een pet. Haar snoet mag gesprinkeld zijn met rose sproeten
Of net enkel plaats laten in de plooien van het gezicht voor ogen,
Groot en rond als van een mopshond en dan kleine konijnenoren
En een tred als stapjes van een katje dat net leert lopen – Echter,
Als het lelijk is, denk ik dan, blind of doof, stom, lijkt ‘t wel eerder
Op een duivenjong, dat je met een steentje zomaar wil knikkeren
Uit een boom.