Het gezeefde gedicht | Het Gezeefde Gedicht


OKTOBER 2025

Arend Tonko
Wendy Onsea
Matthias Haeck
Marco Starmans
Zahir Turaj
Barbara De Munnynck
Tamira Gandinese
Saskia De Vriese
Sarah Skoric
Marc Terreur
Claire Moens
Anita Paradijs
Thomas Eyskens
Ariane Vergult

Arend Tonko

Verdronken huis

Starend in het donkere water van de
nacht voelt hij het wieken in zijn
hoofd, het langzaam steeds sneller
en sneller wieken in zijn hoofd.

Geruisloos valt het verdronken
huis uit zijn verleden droog.

Hij zit weer aan dezelfde tafel en
drinkt weer uit dezelfde kom. Om
en om en om. De jongen, de vader,
de moeder. Eén kom, geslagen uit
hagel en storm. Gevuld met een
bitter verdriet, dat zich, na iedere
slok, direct, van onderen, stuwend,
dwingend, bitter, vernieuwt.

Een klap. Een schreeuw. De jongen
grist de kom van tafel, houdt het
hoog boven het hoofd, werpt het,
met geweld, kapot op de plavuizen.
De moeder gilt. De vader zwijgt.
Luid vloekend trapt de jongen de
scherven wild in het rond.

Langzaam vertragen de slagen.
Het wieken stokt. De scherven
springen, één voor één, terug op
de tafel, terug in de oude vorm.

Hij drinkt weer uit dezelfde kom.
Om en om en om. De jongen, de
vader, de moeder. Eén kom, geslagen
uit hagel en storm. Gevuld met een
bitter verdriet, dat zich, na iedere
slok, direct, van onderen, stuwend,
dwingend, bitter, vernieuwt.

De deur valt, met een zachte
plof, vast in het slot.

Het water stijgt en stijgt en stijgt...

Hij kan geen kant meer op.

Wendy Onsea

bakens

twee nachtkastjes
warme bakens zij aan zij
hier rustten witgoed en principes

aan een dunne draad
enkele koperen meetinstrumenten
ze vingen onze verhouding niet

aan de tafel
vergaande verzamelingen
hoeveel kan je in kaart brengen

op het schap
je briefopener
wapen uit een vorig leven

in mijn hoofd
de druivelaar die woekert

 

Matthias Haeck

Wat niet gezegd wordt

Wat je zei vervaagt zodra je je arm
om de slapende kat op het bed legt.
Je wil haar wekken en toch ook niet.

Ik ben jaloers op de matras.
Je schouders zwijgen
maar hun stilte weegt.

Je woorden sluimeren diep in mijn buik
dwalen er zwaar rond
niet van plan om te vertrekken.

Ik wilde dat jij in míjn handen paste,
ik zou het vasthouden onthouden
zoals een boek dat zwaar leunt,
nog voor één woord is gelezen.

***

Als

Als slechts uit een gebaar,
één minuscule spierverandering,
zelfs maar een bedoéling tot bewegen
kan besloten worden, dat onze afstand kleiner wordt
dan blijf ik graag.

Nu, er staan in de kast wel kopjes in ’t gelid,
in de kamer wachten stijve vouwen in het laken
en door het venster kunnen weinig blikken binnen,
maar, waarheen dan zonder jouw blik
die je zorgvuldig van me afwendt?

Wie zijn wij zonder jouw bewegen, jouw spierkracht
ja zonder jouw misbaar?

***

Zwart

Eén man op een fiets en één met een hond,
over de paden een kleed van zwart.
Daarin rafelige gaten, zompig geel.

Er hangt nog de galm van passanten
die vannacht bonsden op de luiken,
zich maten met hun eigen echo
brallend tegen de nakende dag.

Mijn motorkap als ploeg
plooit de ochtend open,
op de radio een concerto grosso in d.

Achter me, wat ik aan de lauwwarme lakens liet.
Voor me, klevend aan mijn zoekende ogen
de condens van de nacht.

Straks steken we de vuren aan
en met wat in de thermos gloeit
verjagen we het zwart.

In de verte brandt al een licht. De mannen
van de dag zijn aangekomen.
Eén per fiets, één zonder hond.

 

Marco Starmans

Ik ben meeuwen aan het baren

als ik een zwerm zie in de hemel,
en dat is alles wat er is,
zie ik de zwerm daar in de hemel
ik ben meeuwen aan het baren,

krijsend, krijsend

langs de naakte aarde slaat de lucht,
als deuren dreunend, van pannendak
tot in mijn onderbuik het gat

naar mijn leden grijpen, klauwen, vleugels
klappen in mijn ribben
uit mijn handen wiekt daarginds de stad

bij tijd en wijle verrijst zij niet


Zahir Turaj

Het alfabet van angst

Explosies schreeuwden vuurtongen.
Elke kogel een onafgemaakt woord uit de mond van de duisternis.
Het glas verbrijzelde het kader van herinneringen.
En wij,
net als de verloren woorden van een onvoltooid gedicht,
zochten onze toevlucht in het achterste gedeelte van de kleine kamer.
Moeder was een storm wiens ogen regen uitgoten.
Vader, een harde steen in zijn te stille bed.
De stilte die van het plafond viel,
legde een zwaard op het lichaam van de tijd.
Vanuit de binnenplaats kwamen boze voetstappen dichterbij.
Kroop als een zwarte slang over onze wonden
En wij,
in de nauwe duisternis beneden in de kamer,
maakten van onze ziel boten
die van de oever van angst naar de zee van het niets voeren...
Opeens verdonkerde de stilte
Ik opende mijn ogen:
er was niets anders te horen dan het gefluister van onze
ademhaling.
Ik opende langzaam de deur.
De straten waren leeg.
De wind blies de verbrande bladeren naar de grond.
‘Is daar iemand?’ schreeuwde ik.

De stilte antwoordde —
de stilte die uit de verre heuvels kwam,
bracht de kreet ‘Ren!’ met zich mee.
Op de laatste hoek van het steegje
sloeg een kogel in de muur achter ons:
de eerste letter van het alfabet van angst.
En wij renden...
Wij renden tot de huizen achter ons lagen —
overgeleverd aan de vlammen van de geschiedenis.
Fotoalbum
Vogels met verbrande vleugels
offerden herinneringen aan de vonken.
En nu,
mijn ouderlijk huis —
alleen de geest van Seth
in de gebroken ramen van mijn geest.
Elke nacht,
met de geur van rook
en het geluid van boze voetstappen,
verschijnen ze in mijn dromen...

***

Ik zou een gedicht zingen over een moerbei


Ik dacht aan de moerbeiboom.
De takken waren paraplu's van gebarsten herinneringen.
Ik had wat droog brood in mijn tas.
Wie zingt voor de onrijpe bessen van de verbeelding…
en een hart van puin door het wachten?
Leunend tegen elektriciteitspalen
wachtte ik op hem langs de kant van de weg.
De wind blies door haar witte sjaal,
op weg naar de lege schoollokalen.
Zijn zwarte shirt
de treurige vlag van gebroken pennen
Van verder weg klonken er schreeuwen in de keel van de tijd.
Een man met lang haar — slierten die hij nooit knipte —
Zijn glanzende snor, die schitterde in de *Saoerzon.
Het leek alsof de messen van de leugen
over het oppervlak van de nacht werden getrokken.
Zijn gescheurde keel was een vlag op het gebroken dak van de straat,
en zijn gebalde vuisten
zouden sterren breken.
Mensen, vermoeider dan de schaduwen op de weg,
kwamen voor het brood der tongen,
het tranen der ogen,
of het verbrande brandhout.
Iemand snikte:
‘Het is allemaal voorbij...
zelfs mijn shirt.’
En stilte, uit de omgedraaide zakken,
schreeuwde zandkorrels.
De zon van Saoer,
boven de gewonde kalender —
elk jaar
verscheurde hij de dag des oordeels met zijn tanden
De zon regent druppels vuur
en de gebroken toren
verslond de sterren.
Ik kijk er nog steeds naar uit:
mijn boeken die naar brood ruiken
terwijl mijn brood uit dode letters bestaat
Hij verscheen niet
Misschien gebeurt het nooit.
Alleen de wind laat de moerbeibladeren dansen.
En de schreeuwen van de man
op de posters aan de muur —
het zou bloederig zijn.

*De tweede maand van de Perzische kalender.

***

Hij en het vuur

Verwikkeld in een eindeloos duel met zichzelf —
jongeling gevangen achter de brandende grill van een klein café,
ogen gericht op de draaiende spies
waarvan het sissende vet naar de vlammen schreeuwde,
Terwijl rook het gezicht van de tijd in zwart hulde.
Met een mes, gebogen onder het gewicht van dagen,
sneed hij het vlees:
trok een bloederige kraal af van de rozenkrans van het leven,
en liet zweet vallen op de verschroeide pan van routine.
Zweetdruppels als vermoeide mieren
kropten langs zijn verbrande voorhoofd.
Tussen zijn lippen kolkten woorden —
half gebed, half vloek —
om de stilte die zijn keel wurgde te smoren.
Hij wachtte tot de baas
hem een zwarte brok
houtskool als respijt
in zijn eeltpalm gooide.
De rook die zijn vermoeide longen vulde,
werd zijn enige ademtocht
te midden van het gebrul van de vlammen.
Klanten kwamen,
morsten muntjes van het lachen op de tafels
en gingen weer weg.
De spies draaide,
en hij bleef snijden:
vlees, tijd en herinneringen smolten dagelijks weg.
Op een dag — zoals alle dagen —
in de dampende waas van de grill,
sloot hij zijn ogen:
deze draaiende spies, zijn stille metgezel —
een geluidloos lichaam dat danste in het vuur,
gul deelde
in zijn hete omhelzing.
Hij lachte,
alsof hij in een spiegel
zijn verbrande voorhoofd en grijze baard zag:
een houtskoolbeeld,
een lichaam dat de vlammen
langzaam verteerden.
Meeslepend
pakt hij het mes op —
niet met handen, maar met ziel.
Elke snee, een woordloos gedicht
geëtst op de huid van de nacht.
Het vlees siste van het bloed en sap.
De hitte schreeuwde,
en hij...
staat nog steeds.
Snijdend:
zichzelf,
de dagen,
zelfs het vuur —
tot de vlammen zelf
zijn geblust.

Barbara De Munnynck

Vochtige dagen

Op een ochtend draaien we
de keukenkraan open
en zonder waarschuwing
schiet hij los :
nu moeten we leven
zonder prop in de tijd
met vocht dat druipt
van de uren, klamme
druppels, een zweetgordijn

Toch vreemd, onze kurkdroge tijd
had lang seconden dik als keien
‘Dit gaat nooit voorbij,’
had ik toen durven zweren
en dat klopte - jullie pasten
rond mijn lijf als kleine
zandlopers op hun zij

Nu morsen we samen
met uren, weken, maanden
alsof we niet weten dat die
turbines doen draaien

Iets in jullie stroomt en
zal dijken doorbreken
vochtige dagen
wat doet een moeder ertegen?

 

Tamira Gandinese

HIER, IN SMALLE KLANKEN

[01]
Hier, in smalle klanken, leert een lichaam van een ander.
De tijd stroomt dun en traag, verbindt alles en houdt niets vast.
Je huid een drempel, een poort van zout en dorsten,
een gesloten vuur, dat zonder woorden drinkt.

Je schaduw kruipt over de scheur in het bed,
daar, waar de nacht in bloed verandert.
Je dijen als gescheurd papier, daar waar de nacht
binnen glijdt met zijn zwarte vingers.

Mijn mond, vol met jouw smaak, zoekt
tot de stilte knapt en jouw keel een donkere vogel naar buiten jaagt.
Een klank, amper geboren, zinkt tussen tanden.
Lippen, gesloten, bewaren een mes van adem.

Wij vallen, langzaam, in elkaar verzegeld,
wij liggen vastgeklonken, in zweet geschreven,
en elke beweging hakt een spoor
in de bodem van de tijd.

Geen god, geen gebed, alleen vlees dat zich herinnert,
een echo van honger, een koorts van licht,
een slaap die ons beiden verslindt
als een laatste bezit.


Saskia De Vriese

ALTIJD EEN KIND

het kind dat onder mijn vel woont
tekent elke dag iets anders
maar altijd een kind

soms met een boom
waar de zon niet meer doorheen komt
soms met een boot om mee weg te varen

of met een bol wol
om stilte te breien
en een trui die nooit wordt afgemaakt

en altijd ligt er een bal
roerloos in haar buurt
geen vader
die hem terug schopt

***

DE HELE NACHT

ik kus je straks wel
we hebben nog de hele nacht
je adem ligt al zacht tussen het dekbed en de maan
mijn handen ruiken nog naar aarde
de dag zit onder mijn nagels

laat me eerst de bloemen gieten, het zevenblad weghalen
alsof ik de tijd zelf wied
zodat wat nu nog bloeit morgen vrucht zal dragen

we hebben nog de zomer, de herfst, de eerste vorst
jij en ik, de tuin die zich naar ons vouwt
mijn vezels kennen de route al terug
naar jouw schouder in het donker

***

DIE DAG

de dag nadat ik net niet stierf
liet ik een foto van me maken
jij stond achter de lens
met je vingers om het toestel
zoals je mijn polsen vasthield
toen alles nog kantelde

je zei: blijf gewoon zitten, ik wil je zien
en ik bleef omdat jij het vroeg
zonder te eisen

mijn haar hing in strengen
mijn ogen dropen nog van waar ik was geweest

jij zag iets anders
wat ik nog kon worden
de flits kwam als een kus op een litteken

terwijl je naar het beeld op het scherm keek
glimlachte je en zei: je lijkt op jezelf
en ik geloofde het bijna

 

Sarah Skoric

enkel het steeltje bleef

we hadden dezelfde naam 
je kwam naar mijn kantoor 
ik zwaaide, jij staarde 
knipperde met geen woord  
later op de keukenvloer zei je 
kijk, het ding met appels is 
dat de pitten giftig zijn 
tenzij je ze samen met het vruchtvlees eet  

we dronken het bier 
we aten het vlees 
we zeiden gedag 
enkel het steeltje bleef 

Marc Terreur

celstructuur

hij zou alles bekennen
om toch maar niet vrij
hij hoorde dat angst niet
door muren reist

‘hou voegen en tralies
in de beste staat, laat het
stokbrood aan de poort
binnenstebuiten keren

hoe minder er gebeurt
hoe meer te vertrouwen
— seconde per seconde blijft
alles bij het oude —

leg zandlopers op hun zij
doe de kerktorens zwijgen
vernieuw nog eens de sloten
en, bij dezen, doe het snel

verder, daarna, is tijd van geen tel
dan rest er mij niets om te vrezen’

Claire Moens

Tussen de touwen

Hij telt tot acht.
Mijn handen zijn van lood.

De grond mag mij niet houden.
Ik weiger klein te worden.

Elke slag, een woord.
Ik leer de taal van terugkomen.

Weer een klap, een duik.
Tussen vallen en opstaan

verblijf ik.
De ronde is nooit echt voorbij.

Anita Paradijs

Wie neemt de eerste

We bouwden vestingen
onzichtbaar voor het oog
stapelden stenen van afweer
op angst op achterdocht

vakkundig dichtgemetseld
met grijze voeg van vriendelijkheid
de speciale bouwoptie bij het hart dubbelsteens
namen we ook

We weten nu ergens moet het
licht naar binnen
nieuw zeer hardt snel uit
het sloopadvies luidt stapsgewijs

bikken in oude lagen
opnemen van brokken ongezien
slijpen in stukken van schaamte
bijeenvegen zonder weg te kijken

De vraag die in de wolken hangt
wie neemt de eerste steen
ik pak er één uit mijn droom
van valse hoop

dat is een goed begin.

 

Thomas Eyskens

ERGENS ONDERGRONDS

Altijd is er ondergronds wel een verbinding
die ons van de ene naar de andere kant brengt
onder water of asfalt door.

En als zij zich daar te slapen legt, doet alsof
zij een kamer heeft, een nachtkastje
met een boek erop, haar bed net opgemaakt

dan zou je haast denken dat zij zich thuis voelt,
terwijl iedereen die toevallig voorbij loopt
de aarde door haar huid heen ruikt.

En als zij diezelfde dag beslist om niet meer
terug te keren, dat zij een andere weg verkiest,
dat zij probeert om zich te herinneren

van welke kant zij nu vandaan kwam, welke kleur
de lakens hadden en de kussensloop en de taal
waarin het boek geschreven was.

***

ALLES NORMAAL

Zolang je de rekening maar betaalt
sluiten deuren zich niet onverwachts
hangen aan de muur de kaders recht
blijven alle lampen branden.

Je hoeft niet te tasten in het duister
geen versleten schoenen aan je voeten
schimmels te bestrijden of je kind verwijderen.
Boeken blijven rustig in de kast staan.

Vruchten liggen niet te rotten in een mand
water stroomt gewoonweg uit de open kraan
en me bellen kan je met de vaste lijn.

Alles zet zorgeloos zijn weg voort
alles blijft in de regel normaal, zolang
je de rekening maar betaalt.

***

ONVRUCHTBARE SPOREN

Wanneer ze haar gemis in water zou veranderen 
zijn er onvoldoende emmers in de wereld
om alles op te vangen. In haar nachtmerries
zijn geen daken, de ramen en de deuren sluiten niet

overal zijn kieren en gaten. Je kunt er niets bewaren,
zelfs niet de handgeschreven brieven die ze
in een schoendoos achterliet. Kijk, daar lopen
haar laatste sporen over het pas gezaaide gras.

Ariane Vergult

ons brood

toen we aan tafel zaten, werd er op de deur gebonsd,
gespijkerd tegen de wand zocht het hoge geel en blauw
uit de kindertekening nog houvast bij ons.
een hond als een volgestouwde koffer warmde onze voeten
hijgde ons bijeen
voor een tocht, een reis misschien.

à la lettre wisten we niets,
toch zagen we onze kinderen al bengelen,
het brood blauw schimmelen, ons huis innemen,
de tuin rechtveren boven mansdiepe kuilen

een bladzijde in ons heilig boek sloeg om,
een zucht rilde over de wervels van ons gezin:
krenkt een vijand mensen bij hun ochtendbrood aan tafel?

god legde zijn lommer zakdoekgroot over het kleinste kind,
verliet de kamer, glipte tussen bottines de trap af,
blootsvoets waren we nog tegaar